
© 2009 Nieland-

Algemeen voorkomen :
De Oudduitse herder is middelgroot, krachtig gebouwd en goed
gespierd, de botten droog en de totale structuur vast.
Belangrijke maten :
De schofthoogte voor de reu is 60 cm tot 68 cm, voor een teefje
55 cm tot 63 cm.
Karakter :
De Oudduitse herder moet van nature evenwichtig, stabiel, zelfverzekerd,
absoluut spontaan en goedmoedig zijn, daarnaast opmerkzaam en leidend. Hij beschermt
zijn huis en degene die hij liefheeft. Hij is intelligent, makkelijk te trainen en
werkt graag voor zijn baas. Voor kinderen en andere dieren is hij zacht en lief.
Hoofd:
Het hoofd is licht gewelfd en in proportie met het lichaam. De breedte en
lengte van de bovenschedel zijn nagenoeg gelijk. Boven-
Gebit :
Het gebit moet krachtig, gezond en volledig zijn, 42 tanden en kiezen (20
boven en 22 onder). De Oudduitse herder heeft een schaargebit, d.w.z. de snijtanden
moeten als een schaar over elkaar sluiten, waarbij de snijtanden van het bovengebit
als een schaar die van het ondergebit oversluiten. Achter-
Ogen :
De ogen zijn middelgroot, amandelvormig, liggen een beetje schuin en mogen
niet uitpuilen. De oogleden sluiten goed aan de oogbol aan. Ze mogen niet naar binnen
krullen of van de oogbol afhangen. De kleur van de ogen is zo mogelijk donker. Lichte,
stekende ogen zijn niet gewenst, omdat zij de uitdrukking van de hond beïnvloeden.
Oren :
De Oudduitse herdershond heeft staande oren van middelmatige grootte, die
rechtop staan en beiden dezelfde kant op wijzen (mogen niet naar de zijkant ingetrokken
zijn), ze zijn spits uitlopend en staan strak naar voren. Tiporen en hangoren worden
gezien als fout. De hoogte is gelijk aan of iets groter dan de wijdte aan de basis.
Wanneer het oor voorwaarts gevouwen wordt om de lengte te meten mag de tip niet over
het bovenste ooglid reiken.
Neus :
De neus moet zwart zijn.
Hals :
De hals moet krachtig, goed gespierd en zonder losse keelhuid zijn. De hals
is betrekkelijk lang en licht gebogen. De hoek met de romp (horizontaal) is ongeveer
45%.
Borst :
De borst moet middelmatig breed zijn, de onderborst zo mogelijk lang en uitgesproken.
De borstdiepte moet ongeveer 45 tot 48% van de borsthoogte zijn. Het borstbeen moet
voor het schouderprofiel te zien zijn.
Lichaam :
De bovenlijn verloopt van de halsaanzet over de goed ontwikkelde schoft
en over de horizontale heel licht aflopende rug tot het licht aflopende kruis zonder
zichtbare onderbreking. De rug is vast, krachtig en goed gespierd. De lendenen zijn
breed, krachtig ontwikkeld en goed gespierd. Het kruis moet lang en licht aflopend
(ca. 23° t.o.v. horizontaal) zijn en zonder onderbreking moet de bovenlijn in de
staartaanzet overgaan.
Staart :
De staart is gepluimd en reikt tot het midden van de achtervoet. Ze is aan
de onderkant wollig behaard en wordt in flauwe bocht afhangend gedragen, waarbij
ze bij opwinding of in beweging sterker hoog gedragen wordt, echter niet hoger dan
de ruglijn.
Ledematen :
De voorste ledematen zijn van alle kanten bezien recht, het vooraanzicht
absoluut parallel. Schouderblad en bovenarm zijn even lang en goed gespierd aan de
romp bevestigd. De hoek tussen schouderblad en bovenarm is met 90° perfect, in de
regel tot 110°. De ellebogen mogen nog in stilstand nog in beweging uitgedraaid zijn
en evenmin ingedraaid zijn. De onderarmen zijn van alle kanten bezien recht, en staan
t.o.v. elkaar absoluut parallel, droog en goed gespierd. De voorste middenvoet heeft
een lengte van ongeveer 1/3 van de onderarm en heeft daarmee een hoek van ca. 20°
tot 22°. Zowel een te scheef (meer dan 22°) als een te recht (minder 20°) staande
middenvoorvoet beïnvloeden de gebruikswaarde, in het bijzonder de conditie.
Poten :
De poten zijn rond, goed gesloten en gewelfd, de zolen dik en stevig maar
niet broos. De nagels zijn krachtig en donker van kleur. Wolfsklauwtjes mogen,indien
aanwezig,van de achterledematen verwijderd worden.
Achterhand :
De stand van de achterhand is licht naar achteren, waarbij de achterledematen
van achter gezien parallel aan elkaar staan. Boven-
Gangwerk :
De Oudduitse herderhond is een draver, de ledematen moeten in lengte en
hoeken goed op elkaar afgestemd zijn. Iedere neiging tot overontwikkeling van de
achterhand vermindert de stabiliteit en de conditie en daarmee ook de gebruikswaarde.
Bij de juiste verhoudingen in bouw en hoeken ontstaat een ruim omvattend, vlak over
de grond functionerend gangwerk dat de indruk geeft alsof hij zich moeiteloos voortbeweegt.
Bij een naar voren geheven kop en een licht opgeheven staart ontstaat bij een rustige
en gelijkmatige draf, van de orenspitsen via de nek en rug tot aan het puntje van
de staart een licht deinende en niet onderbroken ruglijn.
Huid :
De huid ligt (los), zonder echter plooien te vormen.
Vacht :
Kwaliteit van het haar: de juiste beharing is het lange stokhaar met onderwol.
De dekharen zijn langer, niet altijd recht en niet strak tegen het lichaam liggend.
Vooral in de oorschelp, achter de oren, op de rug van de onderarm en vaak ook in
de lendenstreek, zijn de haren duidelijk langer. De nek heeft uitgesproken manen
die reiken tot de borst. Bij de ellebogen tot de middenvoorvoet vormen zich vlaggen.
De broek is lang en dicht.
Stokhaar -
Langstokhaar -
Langhaar -
Kleuren :
De Oudduitse herder kent diverse kleurenvariaties van helemaal zwart tot
zwart met roodbruin, bruin, gele tot lichtgrijze tekeningen, licht-
Fouten :
Diskwalificerende fouten: